UITGANGSPUNTEN

 
  1. De integratie van ICT in de basisschool hangt meestal samen met de aanwezige individuele competenties van leraren, alsook met de aanwezige technische uitrusting. Deze zijn verschillend van school tot school. Daarom is het belangrijk de beginsituatie van de school in kaart te brengen (analyse van de beginsituatie). Het opstellen van een coherent ICT- beleidsplan zorgt ervoor dat individuele competenties en technische uitrusting in een breder invoeringsperspectief worden geplaatst.
     

  2. Als pedagogische begeleidingsdienst hebben we de kerntaak het beleidsvoerend vermogen van scholen te ondersteunen. Dit houdt in dat de school vertrekkend van een duidelijke visie op de rol van ICT, haar onderwijskundige doelen vooropstelt, gestructureerd werkt aan de uitvoering ervan en tevens haar organisatorische en financiële beleid hier aan koppelt. Alle leraren participeren aan het overleg en de besluitvorming en de directeur verdiept zich eveneens in het inhoudelijke. De activiteiten van de leraren m.b.t. ICT- gebruik worden beter op elkaar afgestemd en de samenwerking groeit. Er heerst consensus op het vlak van ICT- gebruik op school.
     

  3. Het ICT- beleidsplan maakt deel uit van het schoolwerkplan. De werking op het vlak van ICT hangt samen met het pedagogisch project van de school en kan dus niet los worden gezien van de klemtonen die de school wenst te leggen op andere gebieden, zoals bijvoorbeeld projectonderwijs of zorgbreedte. Visie, doelen en inhoud vormen de kern van het invoeringstraject, uitgaande van de lokale beginsituatie. Geen twee scholen zullen dus eenzelfde beleidsplan kunnen realiseren.
     

  4. Het ICT- beleidsplan stelt de school in staat om concretere begeleidings- of nascholingsvragen te stellen aan de ICT- coördinatoren die ingezet werden vanuit de scholengroepen. De ondersteuning door die ICT- coördinatoren zal dan gericht gebeuren in functie van het verhogen van de professionaliteit van het ganse schoolteam.